nieuws

Het einde van slapende dienstverbanden – Kamerbrief Koolmees (13 dec 2019)

18 december 2019

Het hoge woord is eruit: op 8 november 2019 deed de Hoge Raad uitspraak over de vraag of een slapend dienstverband moet worden beëindigd op verzoek van de werknemer.

Wanneer een werknemer ziek is mag hij of zij gedurende de wachttijd van 104 weken niet worden ontslagen, want gedurende die periode geldt het opzegverbod tijdens ziekte. Na die 104 weken mag een werkgever de arbeidsovereenkomst van de langdurig arbeidsongeschikte werknemer normaliter wel beëindigen. De werkgever is dan wel een transitievergoeding verschuldigd, terwijl er naast de loondoorbetaling ook al kosten zijn gemaakt voor re-integratie. Veel werkgevers ervaren dit is als onrechtvaardig en kozen er daarom voor om de werknemer ‘slapend’ in dienst te houden. De werknemer staat dan nog wel op de payroll maar ontvangt geen salaris. Zo wordt de arbeidsovereenkomst niet beëindigd en hoeft de werkgever geen transitievergoeding te betalen. Met name door de komst van de compensatieregeling transitievergoeding per 1 april 2020, waardoor werkgevers de transitievergoeding vergoed kunnen krijgen, bestond de vraag of het weigeren om de arbeidsovereenkomst te beëindigen niet in strijd is met goed werkgeverschap.

 

Uitspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft zich hierover uitgelaten op 8 november 2019. Goed werkgeverschap brengt volgens de Hoge Raad met zich mee dat een werkgever akkoord moet gaan met een beëindiging met wederzijds goedvinden van het slapende dienstverband als de werknemer daarom verzoekt.

Een uitzondering hierop is wanneer de werkgever een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van het dienstverband. Dit kan bijvoorbeeld wanneer er daadwerkelijk reële kansen zijn voor de werknemer om te re-integreren. Een gerechtvaardigd belang kan niet zijn gelegen in de omstandigheid dat de werknemer bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Indien een werkgever door de voorfinanciering in ernstige financiële problemen komt, geldt dat evenmin als een gerechtvaardigd belang. Wel kan een rechter beslissen dat de werkgever de vergoeding in termijnen mag betalen of dat de betaling wordt opgeschort tot na 1 april 2020. Vanaf die datum geldt echter de compensatieregeling en voor die aanvraag is het vereist dat de volledige vergoeding aan de werknemer is voldaan. Dit verplicht de werkgever tot voorfinanciering.

De Hoge Raad neemt de compensatieregeling voor de transitievergoeding mee in zijn oordeel. Die regeling neemt het grootste nadeel voor werkgevers weg om slapende dienstverbanden te beëindigen. De werkgever wordt dan immers gecompenseerd voor de betaling van de transitievergoeding na twee jaar arbeidsongeschiktheid.

 

Kamerbrief compensatieregeling transitievergoeding

Naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad in combinatie met de compensatieregeling heeft minister Koolmees een Kamerbrief geschreven, met daarin een nadere toelichting. In deze Kamerbrief staat het volgende:

  1.  De transitievergoeding bij beëindiging van een slapend dienstverband op grond van de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019 wordt door het UWV gecompenseerd.
  2. Een beëindigingsovereenkomst gesloten in 2019 met einddatum in 2020 wordt volgens de spelregels van 2019 afgewikkeld.
  3. Het overgangsrecht voor compensatie wordt niet aangepast. Dit betekent dat de transitievergoeding zal worden berekend aan de hand van de nieuwe berekeningsmethode, ook als het einde van de 104 weken ziekte voor 1 januari 2020 ligt en de oude transitievergoeding is verschuldigd. Om in aanmerking te komen voor compensatie ter hoogte van de oude berekening, dient de werkgever de procedure tot beëindiging van het dienstverband voor 1 januari 2020 te starten.
  4. De ‘brutoloon’-voorwaarde zoals opgenomen in de compensatieregeling zal voorlopig niet in werking treden. Dit betekent dat de compensatie niet wordt beperkt tot het door de werkgever tijdens twee jaar ziekte betaalde loon (bijvoorbeeld met aftrek van de vervroegde IVA-uitkering (WIA) of loonsubsidie). Er zal eerst worden onderzocht of dit uitvoerbaar en wenselijk is.
  5. De langere beslistermijn van zes maanden van het UWV gaat gelden voor alle aanvragen voor compensatie waarin de wachttijd is verstreken voor 1 april 2020. Dit geldt ook voor situaties waarbij de wachttijd is verstreken voor 1 april 2020, maar waarbij de formele beëindiging en betaling van de vergoeding pas na 1 april 2020 zijn gedaan.

 

Advies/conclusie

Het is raadzaam voor werkgevers om de procedure tot het beëindigen van slapende dienstverbanden voor 1 januari 2020 te starten of om met de werknemer een beëindigingsovereenkomst te sluiten. Zo kan de werkgever voor compensatie van de oude (hoge) transitievergoeding in aanmerking komen.

 

Deze blog is mede geschreven door Lisa Smit (studentstagiaire in november en december 2019 bij Palthe Oberman Advocaten).

 



Wilt u meer weten?

Alle advocaten van ons kantoor zijn gespecialiseerd in het arbeidsrecht. Wij hebben ruime ervaring met het geven van arbeidsrechtelijk advies en het oplossen van arbeidsrechtelijke conflicten.